Wordt de Oeigoeren hun ziel ontnomen? / Essay voor de Plantijnlezing 2021, Leiden


Essay voor de Plantijnlezing 2021


WORDT DE OEIGOEREN HUN ZIEL ONTNOMEN?


door Jan van der Putten


Het landschap is adembenemend groots en vrijwel leeg. Steppen en akkers, steile bergen en glooiend grasland, droge woestijnen en vruchtbare oases. Bewogen verleden, tragisch heden: dat is Xinjiang. De naam alleen al – Xinjiang betekent in het Chinees Nieuwe Grens – riekt naar buitenlandse verovering. Maar de verovering is niet voorbij. Na hun land wordt de bewoners nu ook hun ziel ontnomen.


Alles is superlatief in Xinjiang, een gebied zo groot als West-Europa met slechts 25 miljoen inwoners. De imposante Tianshan, het ‘Hemelgebergte’, scheidt de twee geografische zones: Dzjoengarije in het noorden en het Tarim-bekken in het zuiden. In de extreem diepgelegen (154 meter onder de zeespiegel) oase van Turpan kan een extreme hitte heersen (50 graden). De onbeschrijflijk dorre Taklamakan-woestijn met zijn door de wind verschuivende zandbergen draagt zijn waarschuwende naam met ere: ‘Je komt er wel in, maar nooit meer uit’. Onder het zand aan de rand van de woestijn liggen spookstadjes begraven aan de tweeduizend jaar oude Zijderoute, die in twee armen om de Taklamakan heenliep. Xinjiang is wereldproducent van katoen en is rijk voorzien van olie, gas en een groot aantal andere grondstoffen. Daardoor is Xinjiang van vitaal belang voor de Chinese economie. Het is ook de uitvalspoort van China’s Nieuwe Zijderoute naar Centraal- en West-Azië en Europa, en het grenst aan acht landen in het hart van Azië. Die enorme economische en strategische belangen maken voor China de onafhankelijkheid van Xinjiang zo mogelijk nog minder bespreekbaar.


De officiële Chinese geschiedschrijving wil dat Xinjiang altijd een deel van China is geweest. Datzelfde wordt beweerd over, bijvoorbeeld, Tibet, Taiwan en de Zuid-Chinese Zee. Nu wordt de beschrijving van het verleden altijd gekleurd door het heden, maar weinig landen gaan daarin zo ver als China. In het Rijk van het Midden heeft de geschiedschrijving altijd in dienst gestaan van de politieke behoeften van het heden. Dit historisch revisionisme begon al ruim tweeduizend jaar geleden bij de aartsvader van de Chinese geschiedschrijving, Sima Qian, en gaat door tot de dag van vandaag. Niet voor niets benadrukt partijleider-president Xi Jinping het belang van een ‘correcte’ geschiedschrijving. Ter voorbereiding van de honderdste verjaardag van de Partij in juli 2021 lanceerde hij een campagne voor een grondige bestudering van de partijgeschiedenis. Kritische noten staan er in dat geschiedenisboek niet, want ‘historisch nihilisme’ – het belichten van negatieve aspecten uit het verleden van de Partij, zoals de Grote Sprong Voorwaarts, de Culturele Revolutie en het bloedbad van Tiananmen – is streng verboden.


De geschiedschrijving heeft in China dus primair een propagandistische functie, net als haar preliminaire fase, de journalistiek. De geschiedenis is een politiek wapen, dat het verleden moet afschilderen als een lange aanloop naar het roemrijke heden en een nog roemrijker toekomst. Ze is dus een nauwelijks indirecte ode aan de Partij en haar onbetwiste leider Xi Jinping, door wiens toedoen China weer terug is op de enige plek op het wereldtoneel die het toekomt: de centrale plaats op de voorgrond.


De historische feiten spreken vaak een heel andere taal dan de officiële Chinese geschiedenisboeken. Om wat er nu aan de gang is in Xinjiang beter te kunnen begrijpen, is het daarom goed die feiten te laten spreken en niet de mythes. De mythe bijvoorbeeld dat China altijd een vredelievende natie is geweest die nooit andermans gebied heeft afgepakt. Het China van de eerste keizer – die van het beroemde terracottaleger – was zes keer zo klein als het China van Xi. In die 22 eeuwen wandelt het Rijk van het Midden rond het kernland aan de midden- en benedenloop van de Gele Rivier voortdurend over de kaart, het dijt uit en krimpt weer in, het valt uiteen en herenigt zich weer. Denk daarbij niet aan duidelijk afgebakende grenzen. Landsgrenzen behoren bij de door de Vrede van Westfalen gecreëerde natiestaat, en China was van oudsher een beschavingsstaat. Theoretisch strekte het gezag van de keizer zich uit tot tianxia, alles wat onder de hemel is. De hele wereld dus.


Dit proces van voortdurend uitdijen en inkrimpen, van desintegratie en hereniging is niet vreedzaam geweest, integendeel. In de loop van de lange Chinese geschiedenis zijn ontelbare oorlogen gevoerd. Voor een deel waren die van defensieve aard. China werd immers continu vanuit het noorden bedreigd door nomadenvolken, die men met soldaten en de Chinese Muur probeerde tegen te houden. Vaak lukte dat niet. Vele malen werden delen van China veroverd door nomaden, verschillende keren kregen ze zelfs heel China in hun macht, zoals de Mongoliërs in de dertiende eeuw en de Mantsjoes in de zeventiende.


De oorlogen in het westen en zuiden daarentegen waren meestal pure veroveringsoorlogen. Toen China’s laatste keizersdynastie, de door de Mantsjoes gestichte Qing, in de achttiende eeuw Xinjiang onderwierp, had het gebied een bewogen, bij ons nauwelijks bekende geschiedenis van ruim twee millennia achter de rug, waarin de volkeren en rijken, de opstanden en veroveringen, de volksverhuizingen en de volkerenmoorden elkaar waren opgevolgd. Een paar mijlpalen uit die geschiedenis laten zien dat de Chinese aanspraken op het niet-Chinese Xinjiang niet zo vanzelfsprekend zijn als de officiële geschiedschrijving ons wil laten geloven.


Een van de eerste volkeren in Xinjiang waren de Tocharen. Die hadden niets Chinees. Het allang uitgestorven Tochaars was de meest westelijke taal van onze eigen Indo-Europese taalfamilie. In de zevende eeuw was Xinjiang deel van het Turkse wereldrijk van de Göktürken, dat zich uitstrekte van het huidige Oekraïne tot diep in Azië. Ook die spraken geen woord Chinees, net zo min als de door hen onderworpen Oeigoeren. Deze eveneens Turkstalige nomadenstam spande samen met China tegen de Göktürken. Die moesten in een bloedige strijd ten slotte het veld ruimen voor de keizers van de Tang-dynastie, die zelf van gemengd Chinees-Mongolische afkomst waren. Ter bescherming van de Zijderoute vestigde China in een groot deel van Centraal-Azië een Chinees protectoraat. Tibetaanse krijgers maakten een eind aan de bezetting van wat China de ‘westelijke gebieden’ noemden. Daarna stichtten de Oeigoeren op de steppen van Azië een enorm rijk dat rond het jaar 800 reikte tot de Zee van Ochotsk in het uiterste oosten van Siberië. Het hield stand tot 840.


Veel Oeigoeren bekeerden zich tot het manicheïsme, een Perzische vorm van christendom, later tot het boeddhisme, en weer later, in de tiende eeuw, tot de islam. Vanaf toen begon zich de Oeigoerse identiteit te vormen die het huidige Chinese regime probeert uit te roeien. In de dertiende eeuw maakte het christendom in zijn nestoriaanse variant zijn rentree. De eerste ‘Chinees’ van wie we zeker weten dat hij in Europa is geweest, was naar alle waarschijnlijkheid een Oeigoer, de nestoriaanse monnik Rabban Sauma. Als gezant van een Mongolische vorst ontmoette hij de paus en de koningen van Frankrijk en Engeland. Het verslag dat hij in het Syrisch heeft geschreven van zijn avontuurlijke voetreis is bewaard gebleven. Toch weet in het Westen vrijwel niemand van zijn bestaan, terwijl iedereen zijn tijdgenoot Marco Polo kent, van wie het niet eens zeker is of hij wel in China is geweest.


De Chinese verovering van wat nu Xinjiang is, was uitermate bloedig. In 1757 en 1758 werd vrijwel de gehele bevolking van Dzjoengarije, bijna een miljoen mensen, vermoord op last van keizer Qianlong. De overlevenden werden tot slaaf gemaakt of verbannen. De keizer vond de vernietiging van de ‘barbaren’, die ‘de beschaving de rug hadden toegekeerd’, noodzakelijk voor het handhaven van de politieke stabiliteit. Hiermee verdwenen de Mongolische Dzjoengaren uit de geschiedenis. Het is dus niet de eerste keer dat er in Xinjiang sprake is van genocide. Het lege Dzjoengarije werd door China herbevolkt met voornamelijk Han-Chinese boeren. Ze stichtten Urumqi, de huidige hoofdstad van Xinjiang. De Oeigoeren bleven verreweg in de meerderheid in de Taklamakan-oases in het Tarim-bekken.


De massale verkrachting van Oeigoerse vrouwen door Chinese soldaten en ambtsdragers was in de negentiende eeuw de aanleiding voor een serie Oeigoerse opstanden. China werd intussen ook geconfronteerd met de westerse koloniale machten – de ‘Eeuw der Vernedering’ was in volle gang – en met Russische en Britse troepen die elkaar in de Great Game de heerschappij over Centraal-Azië betwistten. Het Rijk van het Midden trilde op zijn grondvesten, maar in Xinjiang wist het in 1877 zijn gezag op gewelddadige wijze te herstellen. Het waren de laatste stuiptrekkingen van een veroveringsstaat die in zijn glorietijd het Russische en Ottomaanse expansionisme naar de kroon had gestoken.


Het einde van het keizerrijk in 1911 schiep ruimte voor de onderworpen volken. Tibet en Mongolië verklaarden zich direct onafhankelijk, en in 1933 stichtten Oeigoeren rond de oude handelsstad Kashgar in het uiterste westen de Republiek Oost-Turkestan. Daarmee werd een geografische term de naam van een staat – die al na vijf maanden werd geliquideerd. In 1944 organiseerde de Sovjet-Unie in het uiterste noordwesten van Xinjiang de Tweede Republiek Oost-Turkestan, die echter de vestiging van de Volksrepubliek China in 1949 niet overleefde. Het was de laatste keer dat de Oeigoeren een eigen staat hadden.


Tijdens de Chinese burgeroorlog zei Mao Zedong, de leider van de communistische guerrilla, dat hij na zijn overwinning op de Nationalisten van Chiang Kai-shek de etnische minderheden onafhankelijkheid wilde geven. Er kwam niets van terecht. Mao besloot dat de Volksrepubliek even groot moest zijn als het Rijk van het Midden in de achttiende eeuw, toen China zijn grootste omvang had bereikt. Alleen Mongolië en gebieden ten westen van Xinjiang moest hij opgeven, anders had hij te maken gekregen met Stalin, die met een invasie had gedreigd als China de Sovjet-satelliet Mongolië zou inlijven. En de ‘bevrijding’ van Taiwan, waarop Chiang Kai-shek zich had teruggetrokken, stelde Mao nog even uit.


Mao liet de etnische samenstelling van de Chinese bevolking berekenen. 56 etnische groepen werden erkend. De Han vormen met 92 procent van de bevolking nog altijd verreweg de grootste groep. De grootste minderheden zijn de Zhuang in het zuiden, de Hui vooral in het noordwesten, de Mantsjoes in het noordoosten en de Oeigoeren. Vijf gebieden met veel niet-Han inwoners, waaronder Xinjiang en Tibet, kregen een speciale status: die van autonome regio. De autonomie hield in dat de taal, godsdienst en cultuur van de etnische minderheden zouden worden gerespecteerd, maar zeker niet dat ze eigen politieke beslissingen mochten nemen. De minderheden mogen de provinciale gouverneur leveren - die lid van de Communistische Partij moet zijn – maar de werkelijke macht is in handen van de provinciale partijleider, en dat is altijd een Han-Chinees. Dat het centrale gezag altijd prevaleert, blijkt symbolisch ook uit het uur op de klok. Het kolossale China kent maar één tijdzone: die van Beijing. Een Oeigoer die bij opgaande zon ‘zes uur’ zegt hoewel het op alle klokken al negen uur is, pleegt een verzetsdaad.


Net als de Tibetanen zijn ook de Oeigoeren door de Han-Chinezen altijd gewantrouwd. Hun geschiedenis, hun godsdienst, hun taal, hun gewoonten, alles bestempelde hen bij voorbaat tot onbetrouwbare Chinese staatsburgers, die niets liever zouden willen dan zich afscheiden van het moederland. Het antwoord van Beijing was de klassieke carrot-and-stick-benadering: economische ontwikkeling gecombineerd met repressie. Door verbetering van de leefomstandigheden zou Tibetanen en Oeigoeren de lust tot rebellie moeten vergaan, en als ze toch ondankbaar zouden blijken, was de knoet snel gehanteerd. Het uiteindelijke doel: assimilatie, waarvoor Xi Jinping de woorden ‘etnische harmonie’ gebruikt. Deze benadering is nationale politiek geworden. Eind 2020 riep de Partij de overwinning uit in een campagne voor de uitroeiing van extreme armoede, vooral onder de etnische minderheden. De armoedebestrijding ging vaak gepaard met de vernietiging van traditionele bestaansvormen: dorpsbewoners werden overgebracht naar de stad, herders werden obers of fabrieksarbeiders, en vanwege de ‘etnische harmonie’ werden ze geprest om hun religieuze gebruiken op te geven en hun taal in te wisselen voor het Standaard Mandarijn.


In Xinjiang werd in 1954 de Bingtuan (het ‘Korps’) gevormd, voluit Xinjiang Productie en Constructie Korps. Deze nog altijd bestaande paramilitaire organisatie heeft steden gebouwd, boerenbedrijven gesticht, de grens versterkt en een hoop andere dingen gedaan, waaronder het vestigen van Han-migranten in Xinjiang. Een spoorlijn legde het gebied open. De van overheidswege aangemoedigde migratie heeft het gewenste resultaat gehad: de gestage vermindering van het percentage Oeigoeren en een toenemende sinificatie, oftewel verchinezing (of beter: ‘ver-Hanchinezing’). Toen Xinjiang in 1949 werd geannexeerd, was 76 procent van de bevolking Oeigoer en slechts 6 procent Han. Tegenwoordig vormen de twaalf miljoen Oeigoeren – dit officiële cijfer wordt overigens bestreden – 42 procent van de totale bevolking van de provincie. Direct daarop komen de Han met 40 procent, gevolgd door Kazachen, Kirgiezen, Hui, Mongoliërs en zeven andere kleine etnische minderheden. In dit tempo van Han-migratie kan het niet lang meer duren of de Oeigoeren zullen een minderheid zijn in hun eigen land.


 De economische ontwikkeling van Xinjiang is voornamelijk de Han-Chinezen ten goede gekomen. De goede banen waren voor de Han, bedrijven van Han werden voorgetrokken. De Oeigoeren voelden zich steeds meer gediscrimineerd en door de Han met de nek aangekeken. Verzet tegen die achterstelling heeft zeker bijgedragen aan het moslim-revival in de jaren tachtig. Oeigoeren herontdekten hun eigen cultuur, hun eigen godsdienst, hun eigen taal, hun eigen gebruiken, kortom hun eigen identiteit. Dat had ook politieke gevolgen. Sommigen begonnen te ijveren voor een echte autonomie van Xinjiang, een kleine minderheid voor afscheiding. Dat leidde tot meer onderdrukking, en dat weer tot meer verzet. Groepen Oeigoeren voerden gewapende acties uit, die met groter geweld werden beantwoord


9/11 bleek voor de Chinese Communistische Partij een godsgeschenk. Ze stelde de minuscule Oeigoerse separatistische bewegingen, waar niemand ooit van gehoord had, voor als terroristische organisaties die deel zouden uitmaken van een wereldwijd terroristisch netwerk. De Amerikaanse regering had in haar mondiale strijd tegen het terrorisme graag de Chinezen aan boord. Daarom zette ze de onbeduidende ETIM (Oost-Turkestan Islamitische Beweging) op de lijst van terreurbewegingen. Ook bleek dat een aantal Oeigoeren zich had laten ronselen voor internationale islamitische terreurgroepen. Daarmee had de Chinese overheid vrij baan voor een campagne tegen alle Oeigoeren, die collectief werden verdacht van de ‘drie boosaardigheden’: terrorisme, separatisme en religieus extremisme. Deze moesten met wortel en tak worden uitgeroeid.


Spiraalsgewijs volgden de gewelddadige incidenten elkaar op. Verreweg de meeste werden veroorzaakt door provocaties van de politie, en verreweg de meeste slachtoffers waren Oeigoeren. In juli 2009 leidde geweldpleging van Han-Chinezen tegen Oeigoerse arbeiders in een speelgoedfabriek in Zuidoost-China tot een explosie van geweld in Xinjiang tegen Han-Chinezen. De wraak was bloediger. Het officiële dodental van 197 was naar alle waarschijnlijkheid in werkelijkheid veel hoger. Sinds het neerslaan van de Tiananmenprotestbeweging in 1989 waren bij politiek geweld niet zo veel doden gevallen. De politie reageerde met nog meer overvallen op moskeeën, met nog meer arrestaties en intimidatie-acties, met nog meer digitale controle. Drie Oeigoerse wanhoopsacties in 2013 en 2014 – een zelfmoordaanslag met een auto op het Tiananmenplein in Beijing met vijf doden, messentrekkerij op het station van de zuidelijke stad Kunming die 31 doden maakte en twee dodenritten op een markt in Urumqi met 43 slachtoffers – waren voor Xi Jinping de aanleiding om de botste bijl op te pakken.


Ilham Tohti, een Oeigoerse hoogleraar economie die voor een reële autonomie van Xinjiang had gepleit, werd in 2014 op beschuldiging van separatisme tot levenslang veroordeeld. Na hem zijn ruim honderd andere Oeigoerse intellectuelen gearresteerd, vaak alleen omdat ze de onderdrukking hadden veroordeeld of voor verzoening hadden geijverd. Voor het organiseren van de grootschalige repressie deed Xi een beroep op Chen Quango, een lid van het Politbureau dat op het gebied van culturele genocide zijn sporen had verdiend als partijleider in Tibet. Hij kreeg dezelfde functie in Xinjiang. Wat hij, onder aanmoediging van Xi Jinping, heeft aangericht, weet iedereen die de laatste jaren niet onder een steen heeft geleefd.


De politiek-religieuze vervolging in Xinjiang blijkt keer op keer zichzelf te overtreffen. In honderden concentratiekampen, officieel aangeduid als scholen voor beroepsopleiding, worden minstens een miljoen Oeigoeren en andere moslims gehersenspoeld. Ze krijgen ingestampt dat ze minderwaardige wezens zijn, en dat het ideologische virus dat hen besmet heeft slechts kan verdwijnen als ze hun geloof in Allah verruilen voor het geloof in Xi. Ze worden gedwongen varkensvlees te eten, het vlees dat ook onder arme Oeigoerse families wordt uitgedeeld. ‘Afgestudeerden’ worden massaal als dwangarbeiders ingezet in fabrieken en in de katoenpluk, die opgekocht wordt door multinationale bedrijven.


Er zijn huiveringwekkende getuigenissen over folteringen, verkrachtingen en gedwongen sterilisatie. Om naar een kamp gestuurd te worden is weinig nodig: een lange baard, een hoofddoek, bidden, vasten, halal-voedsel eten, geen alcohol drinken. ‘Religieus extremisme’ wordt dit genoemd. Elektronische controleapparatuur is alom aanwezig, controleposten zijn er overal. Duizenden kinderen worden in ‘weeshuizen’ opgezet tegen hun ‘achterlijke’ ouders. De vervolging kent geen grenzen: gevluchte Oeigoeren worden ook in het buitenland in de gaten gehouden, bedreigd of gechanteerd via hun familie in Xinjiang.


Het drama dat zich in Xinjiang aan het voltrekken is, is inzet geworden van de oplaaiende Koude Oorlog tussen China en het Westen. Het bewijsmateriaal is overweldigend: foto’s, satellietbeelden, getuigenissen van gevluchte slachtoffers, zelfs officiële Chinese documenten. Toch wijst China alle onthullingen en beschuldigingen verontwaardigd van de hand met kwalificaties als ‘hype’, ‘fake nieuws’, de leugen van de eeuw’, ‘grove inmenging in China’s binnenlandse aangelegenheden’, ‘politieke manipulatie om de ontwikkeling van China te dwarsbomen’.


De Oeigoeren zijn tegenwoordig gelukkige mensen, beweert China. Berichten in de Chinese media over Xinjiang gaan standaard vergezeld van idyllische beelden over Oeigoeren die blij aan het werk zijn. De Chinese leiders wijzen op de positieve verslagen van buitenlandse delegaties die Xinjiang bezocht hebben. Dat waren wel allemaal delegaties van landen die het machtige China graag te vriend willen houden. In hun rapport vermeldden ze dus niet dat hun bezoek strak was geregisseerd. Maar diplomaten van de Europese Unie mogen niet komen. Ze willen Ilham Tohti, winnaar van de Sacharovprijs 2019 van het Europese Parlement, in de gevangenis opzoeken, maar China heeft dat pertinent geweigerd. Ook Michelle Bachelet, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, krijgt voor een bezoek aan Xinjiang nog altijd geen toestemming.


Ook tegen andere etnische groepen en andere godsdiensten in China is een gelijkschakelingscampagne aan de gang. Maar wat er in Xinjiang gebeurt grenst aan genocide, als het al die grens niet heeft overschreden. In naam van de nationale en economische veiligheid en de nationale harmonie is Xi Jinping bezig de culturele identiteit van de Oeigoeren te vernietigen.




vrijdag 30 april 2021